
toen de goden nog schoonheid ontbeerden
moesten zij haar delven uit de diepzee
in het duister bruiste zilverig zout tot
de waterspiegel zijn lippen welfde
en golven braken in de zuurstofrijke
wind van het groene kopereiland
zij werd gewonnen uit bloederig zaad
van de hemel, ontmand door de tijd
welde op voor de kust, aymari
blank en naakt uit de vloed geschept
haar haren met handen drogend
het was in april, de zefier zette in en
vruchtbaarheid dauwde in frisse nachten
zij gladde de zee, dreef over het land
opende ogen van mirte en rozen
de onschuldige nimf met albasten look
joeg goden en mensen branding in het bloed
wekte hartstocht en hekel, vlammen
geslagen uit roodkoperen grond
geblutst tot bellen brozer dan lucht
maar eenmaal de gloed tot puim gestold
is venus gevlucht naar de avondster
haar glans vervallen tot blauwe ionen
in bloeiend water - want elke sirene
eindigt als schuim op de deining
© jindoni
28 juni 2010